Het gebeurt me niet vaak, maar onlangs viel ik toch echt bijna van mijn stoel van verbazing. Tijdens een congres nog wel, luisterend naar Philippe Terheggen, Vice-president Journal Publishing bij Elsevier. Het thema van het congres was Open Access. En ja, ik weet ook wel hoe uitgevers als Elsevier daar hun eigen draai aan geven. Zo ook Terheggen, die strooide met complexe grafieken vol grote getallen om maar vooral aan te geven hoe belangrijk de tijdschriften-business van Elsevier wel niet is, en vooral hoe serieus ze hun best doen om het bibliotheken naar de zin te maken. Ze maken dan wel een klein beetje (veel) winst, maar investeren ook weer bedragen met zeven nullen (0.000.000?) in dingen als het verrijken van online artikelen met infographics.
En dat kleine stukje Open Access, ach, daar schrikt een wereldconcern als Elsevier niet van. Integendeel, wetenschappers krijgen (uiteraard) nadat ze hun publicatie aangeleverd hebben een keurige bedankbrief van Elsevier waarin uitgelegd wordt dat ze de zojuist ingeleverde tekst ook zelf op hun eigen website of in een repository mogen zetten. Maar volgens Terheggen wordt die wijze raad door niet meer dan 10 tot 15% van de gevallen opgevolgd. Met andere woorden, het ligt echt niet aan ons, wij als Elsevier hebben het beste met iedereen voor.
Nu heb ik altijd wel moeite met opzichtige dikdoenerij, maar van mijn stoel vallen doe ik er niet van. Maar toen gebeurde het bijna toch; Terheggen verkondigde met droge ogen dat het misschien wel een goed idee zou zijn om de toegang tot Open Access repositories te blokkeren voor grote bedrijven als Unilever en Philips. Want, zo is zijn redenering, het kan toch niet zo zijn dat die commerciële bedrijven veel geld verdienen met kennis van anderen- en dan ook nog eens zonder daar voor te betalen. Je zou daarom, aldus Terheggen, hun IP-ranges moeten blokkeren om hen de toegang tot Open Access te beletten! En toen sloot hij af met de woorden: ‘jawel, denkt u daar maar eens over na, maar als belastingbetaler heb ik daar zo mijn gedachten over!’. Ja, toen lag ik toch echt bijna gestrekt naast mijn stoel.
Nu betaal ik toevallig ook belasting, wat minder dan een Elsevier vice-president waarschijnlijk, maar als zodanig heb ik toch ook zo mijn gedachten. Bijvoorbeeld over de vele miljoenen die Elsevier jaarlijks ophaalt bij universiteitsbibliotheken voor peperdure databanklicenties, waarvan de inhoud volledig afkomstig is van onderzoekers in dienst bij diezelfde- met publiek geld gefinancierde universiteiten. Maar laat ik het daar verder maar niet over hebben, dat doet Elsevier zelf trouwens liever ook niet.
Even daarvoor zag ik in een presentatie van Arnoud Engelfriet de beroemde Time cover met daarop Shawn Fanning. Voor wie het nog niet (of niet meer) wist, Fanning was in 1999 de bedenker van Napster. En dat was een geniale filesharing-tool, de eerste in zijn soort, die de muziekindustrie hevig op de grondvesten deed schudden. Nog altijd is het stof niet neergedaald, maar diensten als iTunes, YouTube en Spotify tonen aan dat de muziekindustrie intussen heel goed in de gaten heeft hoe internet- met z’n vele mogelijkheden voor vrije informatieuitwisseling, ook ieders rol in die wereld echt substantieel heeft veranderd.
Dat kwartje is bij de grote tijdschriften-uitgevers duidelijk nog niet gevallen. Waarom zouden ze ook? Voorlopig hebben ze van Open Access weinig te vrezen, het heeft geen merkbare impact op de enorme winstmarges- en dat is wat telt. Het wachten is dus op een initiatief uit onverwachte hoek, iemand die er met een lumineus idee in slaagt om het lang geleden aangegane verstandshuwelijk tussen wetenschappers en uitgevers aan het wankelen te brengen. Eén geniaal idee, zoals Shawn Fanning dat ooit had, dat zou toch wel genoeg moeten zijn? Het is een kwestie van tijd, maar als het zover is, ga ik er in ieder geval eens goed voor zitten.